Je snijdt het ganzenvet en het vel in kleine stukken van ongeveer 1–2 cm. Hoe kleiner de stukken, hoe gelijkmatiger het vet uitsmelt.
Je doet het vet in een pan met dikke bodem en zet het vuur laag. Je voegt geen water toe. Het vet moet rustig smelten, niet bakken. Je roert af en toe zodat niets aanzet.
Na 20–30 minuten begint het vet helder te worden en laten de vaste delen hun vet los. De achterblijvende stukjes (kaantjes) kleuren langzaam goudbruin. Zodra deze licht krokant zijn en het vet helder is, haal je de pan van het vuur.
Je giet het hete vet voorzichtig door een fijne zeef of kaasdoek in een schone glazen pot. De kaantjes houd je apart; die zijn eetbaar.
Je laat het vet afkoelen zonder deksel. Zodra het volledig is afgekoeld, sluit je de pot.